Lyrische wandeling
De aanleg van een privé-park had als voornaamste doel het scheppen van een decor waarin het immer half openbare leven van de opdrachtgevers zich afspeelde. De wandeling, die men in dit driedimensioneel decor kon maken, was essentieel. Uit de wens deze wandeling zo lang mogelijk te maken volgt een schema dat we in veel grote tuinen en parken aantreffen: een wandelpad omheen een centraal gegeven, vaak een watervlak, maar in eerdere stijlperiodes ook een parterre. Ik stel voor het park te beschrijven tijdens een ingebeelde wandeling, erop vertrouwend dat de lezer deze wandeling ook graag in de realiteit zal overdoen.
We beginnen ons bezoek op het dorpsplein. Hier werd in 1831, zoals op zoveel plaatsen in het jonge Koninkrijk België, de eerste verjaardag van de Belgische onafhankelijkheid gevierd met het feestelijk planten van een Vrijheidsboom. Volgens sommigen is België uit elkaar aan het vallen. De plataan staat er gelukkig nog steeds en is uitgegroeid tot een evenwichtige, majestueuze boom, een beschermd monument bovendien.
DE CONCIERGEWONINGEN
De ingang van het park wordt geflankeerd door twee romantische gebouwtjes in een mengvorm van neogotiek en neo-Vlaamse renaissance. Alle Beerveldse gebouwen van Théophile Bureau waren opgetrokken in baksteen en witte kalkzandsteen. Daken en torens waren afgewerkt met natuurleien. Zowel vormelijk, door het spel van daken, dakkapellen en torens, als door het gemengd metselwerk maken de gebouwen een schilderachtige indruk. Opmerkelijk is ook de asymmetrie die vaak verkregen is door toevoegingen aan een in wezen symmetrische opzet.
Met zijn loggia en gesculpteerd timmerwerk heeft de neogotische conciërgerie links van de ingang veel weg van een Engelse cottage. Het is, mede door het spaarzaam gebruik van natuursteen, het meest gotische parkgebouw.
Het rechter gebouw leunt dan weer aan bij de neo-Vlaamse renaissance waarin ook het kasteel opgetrokken was. In het halfverheven beeldhouwwerk boven de deur van dit gebouwtje zijn de wapens van de familie de Kerchove en de familie de Limon de Steenbrugghe verenigd onder de grafelijke kroon der de Kerchove de Denterghems. Momenteel is het gebouw in restauratie en heeft het zijn torenspits teruggekregen die het enkele decennia eerder, door een ongelukkige samenloop van omstandigheden, was kwijtgeraakt.
DE DREEF
Een door rode beuken bewaakte oprijlaan leidt de bezoeker in het park. De dreef is het oudst bewaard landschappelijk element van het park. We weten dat ze al in 1583 bestond en rechtstreeks leidde naar de omwalde motte met het buitenhuis. In de zeventiende en achttiende eeuw was de dreef beplant met eiken. In 1873 heeft men bepaalde bomen, zoals de olmen van de dreef, behouden. Hiermee wenste Fuchs uiteraard zoveel mogelijk de aanblik van een pas aangelegd park te vermijden. Rond 1930 werden de olmen vervangen door de huidige rode beuken. Hoewel deze beukendreef op zich al meer dan indrukwekkend is, lijkt ze door een kunstgreep nog langer dan ze in werkelijkheid is: de afstand tussen de bomen verkleint immers naarmate men verder in het park doordringt.
Ondertussen verschijnt het witte woonhuis in het zicht. Men moet zich voorstellen dat niet een ruime villa opduikt, maar een immens kasteel met trapgevels, een vijftal torens, decoratief smeedwerk op de vorsten en torenspitsen. Zoals gezegd stond het oorspronkelijke buitenverblijf in de as van de oprijlaan. Alle verpachte gronden tussen het dorp, de spoorlijn, de Beerveldsebaan en de Ledeakkerstraat werden in 1873 bij het park betrokken en het nieuwe kasteel werd ten westen van de oprijlaan, meer in het midden van het park, in de as van de kerktoren gebouwd. Door de plaatsing opzij van de laan bekwamen Fuchs en Bureau uiteraard een sterk dramatisch effect: onzichtbaar vanuit het dorp doemde langzaam een sprookjesslot op.
DE PARTERRE
Op het einde van de beukendreef ziet men links een verzonken grasveld. Dit was vroeger de formele tuin, een parterre à l'anglaise met voornamelijk omzoomde grasvlakken, aansluitend op de terrassen van het kasteel. Jonge leilinden benadrukken de halfcirkelvormige beëindiging van de oorspronkelijke aanleg. De potplanten die 's zomers in de formele tuinen rond het kasteel gebruikt werden, overwinterden in de orangerie naast de dreef. In en rond de orangerie werden land- en tuinbouwtentoonstellingen georganiseerd, waarvan de Beerveldse Tuindagen een hedendaagse variant zijn. De orangerie werd in 1946 afgebroken. De ovale vijver in het midden van het gazon is niet oorspronkelijk, maar ligt op dezelfde plaats als de vroegere vijver.
Wat verderop ontdekt men aan beide kanten van de laan een eerste deel van de uitgebreide rhododendroncollectie: dwergrhododendrons en wintergroene azalea's doen het uitstekend op deze hogergelegen plek met weinig schaduw. In het vochtige weiland rechts staan vier, in 1873 geplante, moerascypressen (Taxodium distychum) vlakbij het water. Rond de bomen steken de typische luchtwortels hun kop boven.
DE VISUELE AS
Het loont de moeite op deze plek te genieten van het zicht op de pergola aan de overkant van het meer. Het diagonaal perspectief, waarbij de aandacht getrokken wordt door de hooggeplaatste belvédère, wordt geaccentueerd door het eveneens diagonaal lopende onregelmatige meer. Door zijn aanleg wekt dit meer, dat begin- noch eindpunt heeft, de illusie een kronkelende rivier te zijn die zich langzaam een weg baant door een zachtglooiende vallei. Met dit perspectief wist Louis Fuchs de aandacht van de bezoeker te richten op het verste punt in het park en lijkt het groter dan het in werkelijkheid is. Men heeft de indruk middenin een eindeloos arcadisch landschap te staan, terwijl de alomtegenwoordige grenzen verborgen zijn door informele, maar strategisch geplaatste boomgroepen.
Het boeiendste deel van de azalea-collectie bevindt zich in het bos rechtdoor over de brug.
DE WOODLANDGARDEN
Eens de gracht overgestoken moet men de tijd nemen om het eiland waarop men zich bevindt, te verkennen. De vele kronkelende paadjes leiden langs prachtige azalea's, voornamelijk de oude Harde Gentse, Knapp Hill en Exbury- variëteiten, rhododendrons, camelia's en varens, monumentale eiken, beuken, wilde en tamme kastanjebomen. Afhankelijk van het seizoen bloeien hiertussen sneeuwklokjes, narcissen, salomonszegel, de onvermijdelijke boshyacinten, lelietjes van dalen, lenteklokjes, vingerhoedskruid, ... Een eerste heuvel herbergt de voormalige ijskelder, nu territorium van de vleermuizen. De namaakgrot, die de ingang van de ijskelder verborg, heeft helaas niet aan de tand des tijds kunnen weerstaan.
In het bos aan de andere kant van het volgende brugje kan men enkele enorme, heerlijk ruikende exemplaren van Rhododendron luteum vinden. Hier groeit ook de Hammameliscollectie. Met hun geurige bloemen op de elegante naakte takken zijn deze struiken op hun mooist in de maanden januari en februari. In de uiterste noordoosthoek van het domein leidde een brugje over de gracht naar het station. Het brugje is gesloten, net als het station.
Wij volgen het wandelpad langs het meer in de richting van de pergola. Een brug aan onze linkerkant steken we niet over. Zowel de brug zelf als het uitzicht dat men van hieruit heeft op de toren van de koetshuizen zijn opmerkelijk. Théophile Bureau was van opleiding ingenieur van Bruggen en Wegen, maar ontwikkelde zich in de loop van zijn korte, doch gevulde carrière via de bouw van serres, industriële constructies en fabrieken tot een gevierd, zij het inmiddels vergeten bouwmeester van kerken en kastelen. Alle bruggen in het park bestaan uit een houten brugdek dat door een ijzeren structuur gedragen wordt. De borstweringen zijn uit smeedijzer met decoratieve elementen uit gietijzer. Roest heeft de laatste jaren veel gietijzeren elementen, die vaak over de smeedijzeren delen geschoven waren, doen barsten.
PERGOLA EN BELVEDERE
Een enorme wisteria heeft het grootste deel van de pergola ingenomen. Aan de zonzijde groeien klimrozen. Via de belvédère die boven de pergola torent, komt men op een terras, van waarop men een magnifiek uitzicht heeft op het hele park. Met zijn barokke interpretatie van de Dorische bouwstijl wijkt de belvédère af van de andere parkgebouwen. De basisvorm is een achthoek, de meest gebruikte vorm voor een belvédère. De hoeken worden gevormd door acht, met natuurstenen doorspekte geknikte pilasters. Tussen deze pilasters zijn vier zijden benadrukt. In deze uitspringende vlakken zijn de rondboogopeningen uitgespaard, terwijl de andere vlakken opgevuld zijn met uniform baksteenmetselwerk. Het decoratieve dak, een achtribbig koepeltje met tentachtig, gesloten lantaarntje, is volledig in zink. De neoklassieke vleugeltjes op de hoeken geven aan het geheel een oriëntaalse toets. De decoratie van de belvédère is - hoe kan het anders in dit park - van florale inspiratie.
Rijen kapstokken wijzen erop dat de ruimte onder de belvédère als kleedkamer gebruikt werd. Het botenhuis dat hiertegenover in het water stond, is helaas verdwenen. De aanwezigheid van een botenhuis en vooral van een kleedkamer bewijzen dat de zone rond de belvédère bestemd was voor actieve recreatie als varen en zwemmen, terwijl de meer bezadigde familieleden op het terras konden genieten van het uitzicht. Zomerse bezoekers kunnen vaststellen dat de vijver tegenwoordig te ondiep is voor watersport. In de eerste decennia na de aanleg was dit blijkbaar anders.
DE VOORMALIGE NUTSTUINEN
We wandelen in de richting van de moestuin. Voor we door het hek de tuin ingaan, zien we aan onze rechterkant een stuk van de oude boomgaard, waar klimrozen door de resterende hoogstamfruitbomen groeien. Er is bewust gekozen voor natuurlijk groeiende en botanische klimmers ('Francis E. Lester', 'The Garland', 'Wedding Day', Rosa helenae, zelfs de gevreesde Rosa filipes 'Kiftsgate'). Oorspronkelijk was de boomgaard een heel stuk groter en besloeg ook de oppervlakte van het aansluitende mastbos.
De moestuin bestaat uit twee langs drie zijden ommuurde tuinen, met een open oostkant en wordt omgevormd tot een collectie- en pluktuin. In de noordelijke tuin vinden we, tegenover een koolveld, verzamelingen Allium, Agapanthus, Colchicum, Crocus, Iris en andere bolgewassen. Tegen de noordmuren (dus op het zuiden) van beide tuinen zien we de resten van verdwenen serres. Enkele overgebleven druivelaars zijn stille getuigen van het leven op het kasteel van Beervelde. Zoals het een adellijk buitenverblijf betaamde, voorzag het domein volledig in de behoeften van het kasteel. Zelfs de exotische vruchten die de gasten aangeboden kregen, werden gekweekt in de eigen serres. De tweede tuin, waar de stokrozen in augustus schitterend bloeien, bevat verschillende bedden waaronder een indrukwekkende pioenenverzameling. Met het tentoongestelde rad dreven honden waterpompen aan. Dichter bij de uitgang komen we langs de collectie perkrozen. We zien ook dak en schoorsteen van het ketelhuis dat vroeger het inmiddels verdwenen serrecomplex aan de andere kant van de muur bediende.
DE KOETSHUIZEN
Van hieruit zijn de koetshuizen op hun mooist. In feite vormen deze sprookjesachtige bijgebouwen rond een binnenkoer een modelboerderij met naast het koetshuis ook koeien- en paardenstallen en appartementen voor het personeel. In de ruimte die nu dienst doet als cafetaria was plaats voor 6 koetsen. De zes poorten zijn vervangen door beglaasde deuren. Hoewel 90 jaar na het einde van het Ancien Régime gebouwd, is het koetshuis met zijn nutstuinen geïnspireerd op de neerhoven van feodale burchten. Zo verwijst de poort met zijn gekanteelde borstwering naar een middeleeuwse versterking. Vaak werden die neerhoven vanaf de 18de eeuw opgeofferd aan parkaanleg. In Beervelde maakt de kasteelboerderij echter deel uit van het park. Om de pastorale illusie te versterken, graasden de koeien, onder het toeziend oog van een koewachter, in de weiden rond het meer. De zorg die Théophile Bureau aan het uiterlijk van deze boerderij, met zijn spel van daken en torens, heeft mogen besteden, bewijst dat dit gebouw meer dan een productiecentrum van voedingswaren of een stal voor de paarden was. Het was een decorstuk in het landschap, een 'folly' zoals die sinds het begin van de achttiende eeuw in de Engelse landschapsparken werden gebouwd. Het is hierbij typerend dat de versterkte poort en de uitkijktoren van de hoeve niet gericht zijn naar een vijandige buitenwereld, maar naar binnen, naar het park en naar het kasteel, van waaruit weinig vijandelijkheden te verwachten waren. De delen die te functioneel oogden, zoals de groententuinen en de boomgaard, werden door deze gebouwen en door informele groenschermen aan het oog onttrokken.
De vijver in het midden van de binnenplaats is 's zomers prachtig als de roze waterlelies in bloei staan. In één van de perken bloeit de roos Cathérine de Kerchove, genoemd naar de betreurde eerste echtgenote van Graaf Renaud. Aan de schaduwkant zijn buxusperken aangelegd.
WANNEER BEZOEKEN?
Oost- en West-Vlaanderen kampen met een groot gebrek aan groen. Alleen al daarom is elk bezoek aan een volgroeid park van meer dan 20 hectaren een belevenis. Toch zijn er momenten die men niet mag missen. In het tweede weekend van mei, als de Lentetuindagen gehouden worden, bloeien de azalea's en andere rhododendrons. De oude variëteiten hebben een natuurlijker uitzicht en geuren vaak.
In 1873 zijn veel Noord-Amerikaanse esdoorns (Acer saccharinum, de zilveresdoorn) en eiken (Quercus rubra) geplant. Ze overleefden natuurlijk niet allemaal de voorbije 120 jaar, maar de overblijvende bomen hebben inmiddels enorme afmetingen bereikt en zorgen samen met de majestueuze paardekastanjes (Aesculus hippocastanum), de rode beuken (Fagus sylvatica f. purpurea) en de recenter geplante Japanse esdoorns (Acer palmatum en Acer japonicum) voor de prachtige herfstkleuren die bewonderd kunnen worden in het tweede weekend van oktober als de Herfsttuindagen doorgaan. Op het niveau van het struikgewas zijn de herfstkleuren van de winterjasmijn (Hamamelis) en vooral van de vele azalea's ronduit spectaculair. Bovendien is de herfst het beste seizoen om de geniale parkaanleg te ontdekken. De liefhebber zal niet alleen de herfstbloeiende crocussen en colchicums, maar ook de vele paddenstoelen, waaronder de vliegenzwam, weten te appreciëren.
Op andere dagen kan het park na afspraak (tel (+32) 09/355 55 40) bezocht worden door groepen.
Een aanrader is de bloeiperiode van de lentebollen, beginnend met de sneeuwklokjes en eindigend met botanische tulpen. Vooral de bloei van de verwilderde narcissen vormt een onvergetelijk spektakel. Overal en op verschillende momenten ontdekt men echter wel iets interessants. Eind mei is het park misschien wel op zijn mooist en bloeien de oude Harde Gentse azalea's. In de rozenmaand juni hangt de geur van de boerenjasmijn over het hele park. Elk jaar gebeuren er nieuwe aanplantingen. Niet alleen om oude of afgestorven planten en bomen te vervangen, maar vooral om het park constant rijker en interessanter te maken. Zo is onlangs in het Hamamelisbos een Prunusverzameling, met voornamelijk Prunus serrulata-hybriden, geplant, wordt de rhododendroncollectie doorlopend uitgebreid en blijven de verzamelingen rozen en bolgewassen groeien.
Top
